Wat gebeurde er?
In oktober 1973, tijdens de oorlog tussen Israël en Egypte en Syrië, legden de Arabische leden van OPEC een olie-embargo op tegen de Verenigde Staten, als vergelding voor de Amerikaanse wapenleveringen aan Israël. Het embargo trof ook Nederland, Portugal en Zuid-Afrika. Naast het exportverbod verlaagden de Arabische producenten hun productie [2].
De olieprijs verdubbelde eerst en verviervoudigde daarna [2]: van $2,90 per vat vóór het embargo naar $11,65 in januari 1974 [1]. Het jaargemiddelde ging van $3,29 in 1973 naar $11,58 in 1974 [4].
De autoloze zondagen in België
Om de voorraden te sparen, verbood de Belgische regering het autorijden op zondag. De eerste autoloze zondag viel op 18 november 1973, de laatste op 13 januari 1974. Op autosnelwegen gold 100 km/u, in de bebouwde kom 60 km/u. Vanaf de tweede zondag moesten ook bromfietsen aan de kant. Alleen al de eerste zondag zou meer dan 10 miljoen liter brandstof hebben bespaard [3].
De crisis leidde ook tot de Belgische maximumprijzen voor brandstof en mazout. De overheid en de oliesector sloten in 1974 een programmaovereenkomst die de prijs automatisch aan de internationale markt koppelt [5]. Dat systeem bepaalt vandaag nog de mazoutprijs.
Hoe het afliep
De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger onderhandelde vanaf november 1973 met Arabische leiders. Na een eerste akkoord tussen Egypte en Israël op 18 januari 1974 werd het embargo in maart 1974 opgeheven [2].
De prijs zakte niet meer terug naar het oude niveau. De Verenigde Staten legden een strategische oliereserve aan en voerden een snelheidslimiet van 55 mijl per uur in, en op voorstel van Kissinger kwam er het Internationaal Energieagentschap (IEA) [2]. Vijf jaar later volgde met de Iraanse revolutie de tweede oliecrisis. Lees verder in de geschiedenis van de olieprijs.